donderdag 28 november 2013

Beter onderwijs door stevigere medezeggenschap

Als je alle discussies over het onderwijs volgt vraag ik me één ding af:  van wie is het onderwijs nou eigenlijk? Van de ouders, de leerlingen, de docenten, de politici of de schoolbesturen? Het antwoord lijkt me duidelijk: het onderwijs is van de ouders, de leerlingen en de docenten. En daarom hebben we medezeggenschap. Maar dat blijkt niet vanzelf te werken.

In juni heeft de Tweede Kamer een belangrijk besluit genomen om de medezeggenschap in het ‘funderend’ onderwijs te versterken. (dat is bobotaal voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs)  Staatssecretaris Dekker heeft beloofd om de Tweede Kamer in het najaar een brief te sturen met maatregelen. Die brief is er inmiddels. Dekker gaat vooral in op allerlei randverschijnselen die we zo mooi ‘governance’ noemen – stichtingen, statuten, besturen, toezichthouders, directeuren en wie wie benoemt.  Ik vind het allemaal prachtig, maar het gaat tot nu toe aan één ding voorbij: het onderwijs is van de ouders, de leerlingen en de docenten. En niet van al die regenten eromheen.
Want wat is er werkelijk aan de hand?
Twintig jaar geleden koos de politiek voor de beweging van  governement naar governance. Niet de regering, maar bestuurders gingen het onderwijs organiseren. Er vormde zich een kaste, een elite, van onderwijsregenten met een eigen ambtelijk apparaat dat beslissingen neemt over loten, klassengroottes, onderwijssystemen, lestijden en het sluiten en stichten van scholen. Elites hebben de neiging zich te vormen naar de ruimte die ze krijgen. De door sommigen verguisde vrijheidsdenker Ralph Milliband schreef ‘That what the Establishment understands, solely understands, is collective and resolute power, in other words oppositional power. It doesn't give a damn about all the rest’.  Het succes van onderwijsregenten is dat ze die collectieve en resolute tegenmacht met schaalvergroting geneutraliseerd hebben. Zij zijn immuun voor wensen van ouders, leerlingen, docenten en politici. Dat maakt de roep om meer toezicht op onderwijsbesturen ook zo kortzichtig. Want hoe houd je toezicht op zelfbenoemde maatschappelijke ondernemers die met belastinggeld hun gang mogen gaan? Scholen zijn controleerbaar, maar megabesturen als Dunamare en Spaarnesant: vergeet het maar (Ik citeer ik hier vrijelijk Ton van Haperen in Onderwijsblad van december 2012 ‘van governance naar government’).

Ik pleit dan ook niet voor scherper of strenger toezicht of het ongedaan maken van de beslissing het op afstand zetten van het onderwijs ongedaan te maken en de politici de dienst uit te laten maken. Integendeel. Ik gun het onderwijs toegewijde en kundige bestuurders die gespecialiseerd zijn in het werk dat ze doen. Een gemeenteraad is dat niet. Die kan de neiging hebben door te slaan naar het andere uiterste en álleen maar te luisteren naar ouders, leerlingen en leraren. Waar ik wel voor pleit is het versterken van de posities van ouders, leerlingen en docenten in het systeem. En dat kan door de medezeggenschap te versterken. En zolang de Tweede Kamer en de regering zich verliezen in discussies of medezeggenschapraden wel of niet het recht hebben om beslissingen waar ze eigenlijk bij betrokken hadden moeten worden al dan niet mogen terugdraaien en of ze daarvoor naar de rechter moeten of een geschillencommissie moeten we dat lokaal doen.
Wat mij betreft komt er in Haarlem een door de schoolbesturen gefinancierde ondersteuning voor ál die ouders, leerlingen en leraren die zich inzetten voor hun school of onderwijsorganisatie. Zodat zij wérkelijk een tegenmacht zijn en ouders, leerlingen en docenten zeker weten dat hun belangen vertegenwoordigd zijn. In tegenstelling tot de situatie nu, waarbij die ouders, leerlingen en docenten zich soms in wanhoop tot de gemeenteraad moeten wenden omdat zij onmachtig zijn en geen tegenwicht kunnen bieden aan de schoolbesturen. Terwijl die gemeenteraad – door eigen toedoen – daar helemaal niets mee kan. Het laatste beetje waar de raad over gaat, het toezicht op de schoolbesturen voor openbaar onderwijs, is namelijk overgedragen aan het college van burgemeester en wethouders.

In dat opzicht is de reactie van het college op een recent rapport van de Rekenkamercommissie van de gemeenteraad dan ook weinig reëel.  Immers, daar waar de dat rapport duidelijk kanttekeningen plaatst bij de manier waarop het college – of liever: wethouder Nieuwenburg (PvdA) - het toezicht uitoefent en vaststelt dat de gemeenteraad niet kan bijsturen als zich ongewenste ontwikkelingen voordoen, gaat het college daar nauwelijks op in. Dat lijkt het allemaal wel best te vinden. Maar dat is het niet. Wat mij betreft gaat het toezicht daarom terug naar de gemeenteraad tot de medezeggenschap op orde is.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten