maandag 25 november 2013

Onbeheersbare AWBZ afgeschoven op premiebetaler

Wat in 1968 begon als een voorziening om bejaarden en gehandicapten langdurig van zorg te voorzien, groeide in de loop der jaren uit tot een onbetaalbaar beleid. Veranderingen en moderniseringsslagen, gebrekkige afbakening van definities en drang van politici om zich geliefd te maken bij het electoraat leidden er toe dat de AWBZ failliet ging. Dat meldde Dik Hermans, bestuursvoorzitter van het College voor Zorgverzekeringen in 2010. Hij werd daarin bijgevallen door oud-staatssecretaris Jet Bussemaker, die stelde dat burgers te veel aanspraken konden maken op de AWBZ, zoals bijvoorbeeld boodschappen doen en huiswerkbegeleiding. In 2011 constateerde het Wetenschappelijk Instituut van het CDA dat de onbeheersbaarheid van de kosten alleen nog maar zou toenemen. De onderzoekers voegden daaraan toe dat in andere Europese landen veel meer verantwoordelijkheid bij mensen zelf werd gelegd.

Langzamerhand groeide het draagvlak voor een ingrijpende herziening van de AWBZ. En een oplossingsrichting lag ook voor de hand: meer verantwoordelijkheid voor de burgers zelf, ondersteuning door de overheid indien nodig. Dit leek wonderwel goed aan te sluiten bij de uitgangspunten van de Wet maatschappelijke ondersteuning, de kantelingsgedachte én de decentrale uitvoering door de gemeenten. Het was dan ook niet verbazingwekkend dat in het regeerakkoord van het eerste kabinet Rutte concrete stappen in de richting van ontmanteling van de AWBZ en uitbreiding van de Wmo werden gezet. Die leidden uiteindelijk tot een volledig nieuwe wet (Wmo 2015) die in het najaar van 2013 naar de Raad van State werd gestuurd.

Met de inkt van het wetsvoorstel nog niet droog kwam het kabinet al snel terug op een belangrijk principe. Bij nader inzien zou ‘persoonlijke verzorging’ niet overgaan naar de gemeenten maar naar de zorgverzekeraars. Een grote teleurstelling voor de gemeenten die van mening zijn en blijven dat er een grotere overlap is tussen verzorging en de gemeentelijk georganiseerde ondersteuning (woningaanpassing, dagbesteding, hulp bij het huishouden, inkomensondersteuning) dan tussen verzorging en verpleging.

Los van de vraag of dat laatste ook werkelijk zo is, is het veel relevanter of het een goed idee is om de problematische onbeheersbaarheid van de AWBZ linea recta naar de Ziektekostenverzekering te exporteren. Er is één belangrijk verschil: de financiële consequenties zijn niet meer voor rekening van de belastingbetaler maar voor die van de premiebetaler. Voor het Rijk maakt dat niet veel uit, als de afgesproken bezuinigingen maar worden gehaald. De burger die de ziektekosten zelf moet betalen heeft echter geen enkele keuze. De vreugde over de premieverlagingen van 2014 zou dan ook wel eens van uiterst korte duur kunnen zijn.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten